Menu
Voorbij Kuifje en Watergate. Over het vergeten van belangrijke journalisten
Onderzoek
dinsdag 24 juni 2025
Geschreven door: Christoph De Spiegeleer

Vanuit een gedeeld engagement voor het ontsluiten van de geschiedenis van de journalistiek organiseerde Liberas, samen met het ‘Laboratoire des pratiques et des identités journalistiques’ (ReSIC-ULB), CAMille (ULB/KBR) en de Vakgroep Letterkunde van de Universiteit Gent, van 5 tot 7 juni een driedaags Engelstalig colloquium over het leven en werk van “vergeten journalisten”. Het colloquium ging door in de publiekszaal van Liberas. 31 sprekers verzorgden zeven panels. Negentien van hen waren verbonden aan Europese universiteiten of erfgoedinstellingen, negen kwamen uit de Verenigde Staten, twee uit Australië en één uit Canada. Uit dit colloquium zal een vierde volume in de internationale reeks van Liberas bij De Gruyter Oldenbourg, New Perspectives on the History of Liberalism and Freethought, voortvloeien.

Een gedecentraliseerd perspectief

Een ‘gedecentraliseerde’ blik op de geschiedenis van journalistiek via een focus op vergeten journalisten kan worden bewerkstelligd op verschillende manieren.  Zo is het belangrijk om de ervaringen van gewone nieuwsmedewerkers op de redactievloer in beeld te brengen. Technologie en materiële objecten die nieuwsverzameling en -verspreiding mogelijk maken en een centrale rol spelen in het leven van anoniem gebleven nieuwsmedewerkers, verdienen daarin een prominente plaats.

Will Mari (Louisiana State University) ging in zijn keynote dieper in op het belang van ‘material media histories’ om de verhalen te reconstrueren van de nieuwsmedewerkers op de Amerikaanse redactievloer, en van de geschiedenis van de ‘newsroom’ als fysieke ruimte sinds het begin van de 20ste eeuw. Binnen de Amerikaanse ‘newsroom’ was er lange tijd letterlijk en figuurlijk geen ruimte voor zwarte en vrouwelijke nieuwsmedewerkers.

Redactievloer Indianopolis News, 1950

In haar presentatie over Ruth Lovrien Conner (1906–1989) benadrukte Theresa Russell-Loretz (Millersville University) hoe deze vrouw, haar grootmoeder, in de jaren 1920 actief werd als nieuwsmedewerker voor de regionale pers in Minnesota dankzij haar certificaat als linotype-operator. Wat betreft de nood aan ‘material media histories’ was ook de bijdrage van Joël Langonné (Université Catholique de l’Ouest) opvallend: hij sprak over Marconi’s Wireless Telegraph Company, die begin 20ste eeuw scheepskranten met internationale berichten mogelijk maakte via telegrafisten aan boord van trans-Atlantische stoomschepen.

De meeste bijdragen kozen voor een puur biografische invalshoek, telkens met de focus op het leven en werk van één vergeten (pioniers)journalist. De geschiedschrijving van de journalistiek concentreert zich vaak op een handvol iconische namen. Grote figuren uit de onderzoeksjournalistiek en internationale reportage blijven populair in de publieke verbeelding. Denk aan Carl Bernstein (°1944) en Bob Woodward (°1943), die de Watergate-affaire onthulden, of aan de Franse grand reporter Albert Londres (1884-1932), die model stond voor Hergés Kuifje. Maar achter die bekende namen schuilen talloze anderen van wie het werk vandaag vergeten is.

Zo was ook de Française Élisabeth Sauvy (1897–1966), beter bekend als Titaÿna, een grand reporter, maar dan eentje die nu volledig uit het collectieve geheugen is verdwenen. Het leven en werk van Titaÿna werd besproken in een duopresentatie door Isabelle Hare (Université Lyon) en Claire Blandin (Université Sorbonne Paris Nord). Hare en Blandin maakten gebruik van de mogelijkheden van Retronews, de geavanceerde kranteninterface voor de gedigitaliseerde krantencollectie van de Bibliothèque nationale de France, om Titaÿna’s journalistieke oeuvre in kaart te brengen.

Op het snijvlak van ‘digital humanities’ gingen Florence Le Cam en Brecht Deseure (CAMille/Centrum voor Archieven over Media en Informatie) dieper in op hoe zowel distant als close reading van gedigitaliseerde Belgische perscollecties vrouwelijke journalisten uit de eerste helft van de twintigste eeuw opnieuw zichtbaar kunnen maken. Op deze manier slaagden onderzoekers verbonden aan CAMille er bijvoorbeeld in om het journalistieke oeuvre van Alice Bron (1850–1904) — vooral herinnerd om haar beslissing om tijdens de Boerenoorlog naar Zuid-Afrika te trekken als verpleegster – letterlijk en figuurlijk in beeld te brengen.

Élisabeth Sauvy/Titaÿna

Een gedecentraliseerd perspectief gaat echter niet alleen over gender en de ervaringen van nieuwsmedewerkers op de werkvloer, maar ook over geografie. Een aantal bijdragen ging in op het belang van ‘oral history’ bij historisch onderzoek dat zich vanuit een ‘gedecentraliseerd’ perspectief richt op vergeten journalisten die tijdens de Koude Oorlog niet in het westerse blok actief waren. Zo bracht Nina Žnidaršic (Universiteit van Ljubljana) de professionele ervaringen in kaart van journalisten uit Slovenië, Kroatië en Servië die actief waren in de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië (1963–1992). Ook Chloé Nejma Rondeleux (Université Paris-I Panthéon Sorbonne) toonde met haar onderzoek naar Keltoum Staali (°1960) — journaliste bij het Algerijnse weekblad Révolution Africaine in de jaren 1980 — de waarde van mondelinge bronnen en interviews bij het blootleggen van de speelruimte die journalisten hadden in socialistische éénpartijstaten.

Ook binnen de westerse wereld zien we veel geografische lacunes opduiken in de historiografie. Waar prominente Franse en Amerikaanse rondreizende reporters en onderzoeksjournalisten nog enigszins bekend blijven, raken hun collega’s uit kleinere landen als België of Nederland des te sneller in de vergetelheid. Michaël Auwers (Cegesoma–Algemeen Rijksarchief) toonde hoe de Belg Alain de Prelle de la Nieppe (1922–1955), telg van een adellijke familie, met zijn avontuurlijke reportages tijdens de vroege Koude Oorlog, misschien nog het meest weg had van een real-life Kuifje. Toch doet zijn naam vandaag bij weinig Belgen een belletje rinkelen. In het midden van de jaren 1940 begon de Prelle de la Nieppe zijn journalistieke carrière. Als ‘journalist verloofd met het avontuur’ verkocht hij zijn reportages aan zowel Belgische als buitenlandse kranten en tijdschriften. Hij bracht verslag uit van de vele geopolitieke brandhaarden die de eerste, turbulente jaren van de Koude Oorlog kenmerkten: de Griekse burgeroorlog, de eerste dekolonisatiegolven in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, de onafhankelijkheidsstrijd in Nederlands-Indië en Frans-Indochina, de oorlog in Korea …

Ook de rondreizende Mary Pos (1904–1987), een Nederlandse journaliste die net als Titaÿna Mussolini interviewde, blinkt nog veel meer dan Titaÿna uit in afwezigheid in de geschiedschrijving van de journalistiek in haar eigen land. Zij stond centraal in de bijdrage van Babs Boter (Vrije Universiteit Amsterdam). In hun lezingen gingen Boter, Hare en Blandin niet voorbij aan de politieke en ideologische aspecten in het werk van zowel Titaÿna als Pos, elementen die het binnen een hedendaagse context op zijn minst minder evident maken om beide vrouwen vandaag als feministische rolmodellen op te voeren. Zo toonde Pos openlijke sympathie voor Mussolini en verdedigde ze de politicus Hendrik Verwoerd, die wordt gezien als de architect van het apartheidsregime in Zuid-Afrika, terwijl Titaÿna zich nationalistisch en soms antisemitisch uitliet, en tijdens de Tweede Wereldoorlog collaboreerde.

Mary Pos

Een centrale vraag tijdens het colloquium was dan ook: hoe komt het dat de eminente journalisten die door sprekers uit verschillende delen van de wereld werden belicht – ondanks hun betekenisvolle werk en pioniersrol – in de vergetelheid zijn geraakt binnen de samenlevingen waarin ze actief waren? Uit de lezingen kwamen zes overkoepelende verklaringen naar voren, op basis van de voorgestelde historische cases. Deze zes elementen nodigen uit tot een bredere reflectie over de mechanismen, instituties, processen en culturele contexten die—o ok vandaag nog —mee bepalen wie een plek krijgt in de geschiedenis van de journalistiek, en wie niet.

Voorbij de grootstad

Een eerste reden waarom bepaalde belangrijke journalisten in de vergetelheid raken, is de hardnekkige focus op radicale stemmen uit de grote steden. Dit zorgt ervoor dat pennen uit de provincies, die soms meer maatschappelijke impact hadden, onderbelicht blijven. De presentaties van Jeffrey Tyssens (Vrije Universiteit Brussel) en Ross Collins (North Dakota State University) zoomden bewust níét in op de Parijse pers, maar op regionale stemmen binnen de Franse persgeschiedenis.

Tyssens belichtte het leven en werk van de orleanistische journalist Charles-Alcée Campan (1800–1877) uit Bordeaux die in Brussel verbleef als politiek vluchteling tijdens het Second Empire. Campan schreef in de periode 1866-1873 onder een pseudoniem opiniestukken voor de Belgische liberale krant Étoile Belge. Collins deelde zijn fascinatie voor Ferdinand Cottalorda (1873–1954), die in Marseille een halve eeuw lang schreef voor het linkse dagblad Le Petit Provençal. Tijdens beide presentaties viel op hoe het gebruik van pseudoniemen (‘un vieux libéral’ voor Campan en ‘Camille Ferdy’ voor Ferdinand Cottalorda) onderzoek naar vergeten journalisten soms doet uitmonden in echte speurtochten.

Charles-Alcée Campan

De tendens om de focus te verleggen buiten de grote perssteden keerde ook terug in andere bijdragen. Zo sprak Leon Atkinson-MacEwen (University of Tasmania) over Gilbert Robertson (1794–1851), een radicale journalist in wat vandaag Tasmanië is en uitgever van The True Colonist (1834–1844). Hoewel Robertson — geboren in Trinidad als zoon van een vrije vrouw van kleur en een Schotse planter— in 1822 als ‘free settler’ aankwam in Van Diemensland, belandde hij meermaals achter de tralies wegens smaad, als redacteur en eigenaar van The True Colonist. Met zijn lezing maakte Atkinson-MacEwen duidelijk dat hedendaagse historici in Tasmanië de waarde van Robertson’s erfenis als radicale journalist — beïnvloed als hij was door de ideeën van geestesgenoten in Schotland en Engeland — onterecht onderschatten.

Theresa Russell-Loretz (Millersville University) bracht bewust het verhaal van haar grootmoeder, Ruth Lovrien Conner, om het in de historiografie vaak vergeten domein van rurale Amerikaanse kranten in het Midden-Westen onder de aandacht te brengen. Conner kon haar droom om voor een grootstedelijke krant te schrijven nooit verwezenlijken, maar slaagde er wel in met haar echtgenoot Des Moines News in 1956 op te richten.

Voorbij het genre-stigma

Een tweede reden voor vergetelheid ligt in de status van het journalistieke genre waarin iemand actief was. Genres zoals lifestylejournalistiek, filmjournalistiek en sportjournalistiek worden vaak als minder prestigieus beschouwd dan onderzoeksjournalistiek of politieke verslaggeving. Balázs Sipos (Eötvös Loránd University) gaf aan dat vrouwelijke Hongaarse journalisten die rond 1900 aan ‘society reporting’ deden, zichzelf zelden als professionele journalisten beschouwden — een gevolg van heersende gendernormen.

De Amerikaanse Mary Bacon Ford (1859–1948), zo werd duidelijk uit de presentatie van Juliette De Maeyer (Université de Montréal) en Dominique Trudel (Audencia Business School), die publiceerde in Cosmopolitan en The Illustrated American, volgde die gendernormen niet. Zij maakte een pijnlijke scheiding door en zocht en vond een eigen stem in de kunstkritiek van rond de eeuwwisseling. Eline Batsleer (Universiteit Gent) belichtte de vergeten, maar zelfverzekerde vrouwen die vanaf 1904 de inhoud vormgaven van het Italiaanse vrouwenblad La Donna, waaronder de in Brussel geboren Fanny Zampini Salazar (1853–1931). Carlo Bovolo (Università di Torino) wierp licht op Ines Piacenti (1875–1961), die met haar kindertijdschrift Vita Gioconda (1906–1943) een belangrijke rol speelde voor protestantse kinderen in Italië, maar nooit de erkenning kreeg die ze verdiende.

Fotojournalistiek is lange tijd ondergewaardeerd gebleven binnen ‘journalism studies’, hoewel fotografie een cruciale rol speelt bij het in beeld brengen van gewapende conflicten. Waar de Spaanse burgeroorlog doorgaans wordt geassocieerd met het werk van de Hongaar Robert Capa (1913–1954), vestigde Teresa Ferré Panisello (Universitat Autònoma de Barcelona) de aandacht op lokale Spaanse fotojournalisten die met een Leica-toestel in de hand de Spaanse burgeroorlog in beeld brachten. De Tragische Week in Barcelona in 1909 vormde een vroeg sleutelmoment in de geschiedenis van de Catalaanse fotojournalistiek, waarin gruwel en geweld op indringende wijze op de gevoelige plaat werden vastgelegd.

Als vrouwen actief zijn binnen ondergewaardeerde domeinen zoals film- of sportjournalistiek, raken ze vaak dubbel onzichtbaar. De keynote van Marie-Ève Thérenty (Université Paul Valéry-Montpellier) toonde aan dat vrouwen tussen de twee wereldoorlogen meer dan gedacht actief waren in de filmrubrieken van de Franse pers, vaak als jonge aspirant-actrices die verslag deden van opnames of roddels—werk dat zelden als volwaardige filmkritiek werd erkend. Toch bleken ook naoorlogse iconen als Françoise Giroud (1916–2003) en France Roche (1921–2013) hun wortels in deze wereld te hebben.

Patrici Jarrett (rechts), naast twee speelsters van het Engelse vrouwenteam cricket, 1934.

Op het vlak van sportjournalistiek blijven vrouwelijke journalisten echte witte raven: Nick Richardson (University of Melbourne) liet zien hoe onterecht het is dat de Australische Patricia Jarrett (1911–1990) pas recent werd erkend als pioniersjournaliste voor het populariseren van vrouwencricket in Australië.

Voorbij de mannenwereld

Een derde reden om vergeten te worden is inderdaad simpelweg het feit vrouw te zijn. Door de lange tijd geldende gendernormen werden vrouwen vaak niet erkend voor hun journalistieke werk. Ze raakten soms zelfs volledig overschaduwd door hun mannelijke partners, vooral als die zelf bekend waren als journalist of in een andere rol.

Zo vertelde Laura Calkins (Texas Tech University) over Charlotte Ebener (1918-1990), een Amerikaanse die tijdens de vroege Koude Oorlog als verslaggever voor de International News Service werkte in Azië en het Midden-Oosten, van China tot Indonesië. Ondanks dat ze net als Alain de Prelle de la Nieppe historische gebeurtenissen van dichtbij meemaakte, werd ze door collega’s en politieke leiders bespot om haar uiterlijk. Haar werk trad nooit uit de schaduw van dat van haar echtgenoot, Pulitzerprijswinnaar George Weller (1907–2002). Terwijl het archief van George Weller bewaard wordt door de Universiteit van Harvard, is er slechts een kleine collectie van Ebeners brieven terug te vinden in de stadsbibliotheek van Milwaukee. Haar memoires No Facilities for Women (1955) blijven een unieke bron zodat ook haar verhaal door historici zoals Calkins kan belicht worden.

Ook Carrie Adell Strahorn (1854-1925) schreef in 1911 haar memoires over haar reizen, dit keer in het uitbreidende ‘Wilde Westen’ van de Verenigde Staten tijdens het laatste kwart van de 19de eeuw. Ze schreef voor kranten en tijdschriften over haar reizen aan de zijde van haar man Robert E. Strahorn (1852-1944), een spoorwegbouwer en voormalig journalist. In overlijdensberichten werd ze vooral herinnerd als echtgenote van Robert, die met zijn rapporten over land- en mijnbouw de frontier mede in kaart bracht. Carrie’s eigen teksten waarin ze de frontier cultureel probeerde te beschrijven zijn vanuit sociaalhistorisch oogpunt minstens even interessant.

Robert and Carie Adell Strahorn

Voorbij de klassieke oorlogsreporter

Wanneer het gaat over oorlogsverslaggevers die zich midden in het strijdgewoel bevonden tijdens de beide wereldoorlogen duikt een vierde oorzaak van vergetelheid op: het feit dat sommige journalisten niet voldeden aan het klassieke profiel van de witte, mannelijke, avontuurlijke oorlogsreporter. Vrouwelijke verslaggevers tijdens de Eerste Wereldoorlog en Afro-Amerikaanse oorlogsjournalisten tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn voorbeelden van zo een categorieën outsiders.

Stephanie Seul (University of Bremen) liet het publiek kennismaken met Avis Waterman (1882-1939), de enige vrouwelijke oorlogscorrespondente van The Times, werkzaam vanuit Milaan vanaf 1915. Waterman bracht met gevaar voor eigen leven meerdere begeleide bezoeken aan het Italiaanse front. Haar landgenote Elisabeth Shepley Sergeant (1881-1965) versloeg de oorlog vanuit Parijs voor The New Republic, maar raakte in 1918 zwaargewond tijdens een bezoek aan het front bij de Marne. Haar literaire relaas over haar herstel in een Amerikaans hospitaal in Parijs stond centraal in de presentatie van Patricia Loughlin (University of Central Oklahoma).

Wat betreft de Tweede Wereldoorlog plaatste James Mueller (University of North Texas) de Afro-Amerikaanse journalist Trezzvant Anderson (1906-1963) in de schijnwerpers. Anderson schreef over het 761e tankbataljon, een Afro-Amerikaanse eenheid waarvan hij de heroïsche acties van dichtbij volgde en op papier vastlegde. Ook Suzanne Laroche (1906-1992), een vrouwelijke fotojournaliste die de bevrijding van Parijs vastlegde, past niet in het klassieke beeld van oorlogsjournalist. Haar werk krijgt voor het eerst een hoofdrol in het onderzoek van Louise Francezon (Paris I Panthéon-Sorbonne).

Voorbij het vroege afscheid

Een vijfde reden waarom sommige beloftevolle journalisten vergeten raakten ligt in het vroegtijdige einde van hun carrière, met name door een tragisch levenseinde. Alain de Prelle de la Nieppe overleed op 32-jarige leeftijd bij een auto-ongeluk in Marokko. Het maatschappelijk engagement van Herbert H. Denton Jr. (1943-1989) en de veelbelovende Zuid-Afrikaanse journalist Nat Nakasa (1937-1965), beiden jong overleden, stond centraal in presentaties van Jaron Murphy (Bournemouth University) en Benji de la Piedra (Library of Congress).

Denton was een van de eerste Afro-Amerikaanse redacteurs bij The Washington Post. Hij schreef in de late jaren 1960 met inzicht over onderwijsprogramma’s die Afro-Amerikaanse gemeenschappen beïnvloedden, maar bracht als veelzijdig journalist in de jaren 1980 ook verslag uit over de Libanese burgeroorlog. Had Herbert H. Denton Jr. langer geleefd — hij overleed op 46-jarige leeftijd aan aids — dan was hij misschien wel de eerste Afro-Amerikaanse hoofdredacteur van The Washington Post geworden. Dat Denton homoseksueel was, werd voor velen in zijn directe omgeving pas duidelijk na zijn overlijden in 1989 in Toronto, waar hij sinds enkele jaren voor The Post verslag uitbracht over de Canadese politiek en samenleving.

Herbert H. Denton Jr.

Nat Nakasa schreef in de late jaren 1950 en vroege jaren 1960 voor het Zuid-Afrikaanse tijdschrift Drum. Na het verkrijgen van een prestigieuze Nieman Fellowship vertrok hij naar de Verenigde Staten. Daar belandde hij in een uitzichtloze situatie: als ‘native of nowhere’ kon hij niet terugkeren naar Zuid-Afrika, terwijl zijn visum voor de VS dreigde te verlopen. Op 28-jarige leeftijd pleegde hij zelfmoord. Hij had het talent om uit te groeien tot een belangrijk literair journalist.

Nat Nakasa

Ook de Belgische journalist Roger van de Velde (1925–1970), die aan bod kwam in de presentatie van Nathan Lauwers (Liberas), was een getalenteerd schrijver die maatschappelijke ongelijkheid aankaartte. In 1960 portretteerde hij echter — als kind van zijn tijd en in de context van de Congocrisis — de Belgische kolonisator als slachtoffer. In zijn verslag van de chaos volgend op de Congolese onafhankelijkheid verviel hij in racistische stereotypen die op het eerste zicht moeilijk te rijmen zijn met de rest van zijn oeuvre, waarin hij sociaal onrecht aankaartte met empathie en moreel engagement. Van de Velde stierf op 46-jarige leeftijd aan een verslaving aan pijnstillers, die hem eerder herhaaldelijk in gevangenissen en psychiatrische instellingen had doen belanden. Net als bij Nakasa leeft Van de Velde in het collectieve geheugen vooral voort door de symboliek van zijn tragische dood — en spijtig genoeg veel minder door zijn werk.

Roger van de Velde

Het leven en werk van Denton, Nakasa en van de Velde, die elk nauwelijks een plaats hebben gekregen in de journalistieke canon van hun land, verdienen erkenning in journalistieke opleidingen in de VS, Zuid-Afrika en België. Hun geschriften en levensverhalen bieden kritische inzichten in journalistiek als een intellectuele bezigheid, waarin sociaal engagement en literaire journalistiek elkaar niet uitsloten. Bovendien vormen hun biografieën een ingang om historische contexten van racisme in België, de Verenigde Staten en Zuid-Afrika tijdens de jaren 1960 voor een breder publiek inzichtelijk te maken.

Voorbij de schaduw van de Koude Oorlog

Tot slot kwam tijdens het colloquium een zesde reden aan bod voor de vergetelheid waarin sommige journalisten zijn beland: de politieke schaduw die de Koude Oorlog en het anticommunisme, buiten hun wil om, wierpen over hun werk en nalatenschap. Toen Nakasa als anti-apartheidsschrijver- en journalist naar de VS vertrok, stond de Zuid-Afrikaanse regering op het punt hem als communist te bestempelen en zijn carrière als journalist daarmee te beëindigen. Tegelijkertijd kreeg een literair tijdschrift dat Nakasa in 1963 gebruikte als platform voor jonge Afrikaanse schrijvers buiten zijn medeweten CIA-geld toegespeeld. Dat geld was bedoeld om via prowesterse Afrikaanse elites de culturele invloed van het westerse blok in het mondiale zuiden te versterken.

Vanuit het perspectief van de Verenigde Staten als drijvende kracht achter de culturele Koude Oorlog in niet-gebonden onafhankelijke Afrikaanse staten, gold een gematigd figuur als Nakasa — omschreven als een ‘kokosnoot’ (‘zwart vanbuiten, wit vanbinnen’) — als uitermate geschikt om — tegen de achtergrond van de dekolonisatie — de gevreesde communistische invloed op het Afrikaanse continent tegen te gaan. Op vergelijkbare wijze raakten westerse journalisten die zich via de in 1952 opgerichte International Federation of Journalists inzetten voor journalistieke opleidingen in het globale zuiden, in 1967 — ondanks hun oprechte bedoelingen en buiten hun medeweten om — verwikkeld in een CIA-financieringsschandaal. Dat werd aangetoond in de presentatie van Christoph De Spiegeleer (Liberas) over vergeten actoren van educatief internationalisme binnen journalistieke opleidingen tijdens de Koude Oorlog.

Voorbij het verleden

Voor het eerst sinds 2002 stelt Reporters zonder Grenzen vast dat journalisten anno 2025 in de helft van alle landen onder ongunstige omstandigheden moeten werken. Hoewel het colloquium voornamelijk terugblikte, sloeg het ook een brug naar actuele mechanismen die ertoe bijdragen dat kwetsbare nieuwsmedewerkers vandaag vaak onzichtbaar blijven. Vooral de rollen van ‘fixers’ — lokale contactpersonen van buitenlandse verslaggevers — en ‘stringers’ — freelancers die per opdracht worden betaald komen komt de laatste tijd steeds meer onder de aandacht.

Onlangs schorste World Press Photo de naamsvermelding bij de iconische foto van het ‘Napalmmeisje’ uit 1972, een foto die wereldberoemd werd in het vastleggen van de gruwel van de Vietnamoorlog. Een documentaire suggereerde dat de foto niet door Nick Út (die voor Associated Press werkte), maar door Nguyen Thành Nghi, een lokale freelancer, was gemaakt. Hoewel de vraag wie de foto maakte vanuit cultureel oogpunt niet onbelangrijk is, is het vooral historisch relevant dat de vermoedelijke echte fotograaf een lokale freelancer was, die niet de institutionele bescherming genoot die correspondenten werkzaam voor buitenlandse persagentschappen zoals het Amerikaanse Associated Press wel kregen.

De noodzaak om de verhalen te vertellen van onzichtbare nieuwsmedewerkers die schuilgaan achter de hedendaagse westerse berichtgeving over conflicten en revoluties in regio’s zoals het Midden-Oosten, leidde tot de derde keynote-presentatie van het colloquium. Noah Amir Arjomand (University of California) sprak over de rol van ‘fixers’ in de hedendaagse journalistiek. Tussen 2014 en 2016 deed hij etnografisch onderzoek in Turkije naar deze vaak over het hoofd geziene tussenpersonen. Hij interviewde en observeerde journalisten, fixers, producers en redacteurs, en werkte soms zelf mee aan nieuwsverhalen, zowel in de hoedanigheid van fixer als in die van journalist.

Om de anonimiteit van zijn gesprekspartners te beschermen, maakte Arjomand gebruik van ‘samengestelde personages’. Centraal in zijn lezing stond Orhan, een fictieve Turkse fixer die buitenlandse journalisten hielp bij hun verslaggeving over de mijnramp in Soma in 2014. Orhan maakt ook zelf gebruik van een eigen netwerk van lokale contacten (‘sub-fixers’).  Zijn personage is gebaseerd op getuigenissen van echte Turkse fixers. Arjomand reflecteerde kritisch over de manier waarop Europese en Amerikaanse journalisten soms bewust genoegen nemen met de onprofessionele werkwijzen van lokale fixers — of daar zelfs actief aan bijdragen via betalingen. Zo kunnen zij snel bruikbaar en verkoopbaar nieuws verzamelen, terwijl ze zelf de schijn van objectieve, ‘schone’ westerse journalistiek behouden. Vanwege de actuele relevantie, met oplopend geweld in het Midden-Oosten en uiteenlopende mediaberichtgeving daarover, en nieuwe ontwikkeling in het verder ontmantelen van de rechtstaat in Erdogan’s Turkije, werd Arjomand’s lezing opgenomen. Deze is online beschikbaar via het YouTube-kanaal van Liberas.