Met de schenking van La Nique krijgt de collectie studententijdschriften van Liberas een boeiende en unieke aanvulling. Als tijdschrift van een meisjesatheneum uit de jaren 1920 is La Nique immers een unicum en ontbrak tot op heden elk spoor van deze titel in de gevestigde bewaarinstellingen en bibliotheken.

Gatti de Gamond
Algemeen secundair onderwijs voor meisjes is in België pas laat op de politieke (en pedagogische) agenda gekomen. Bestuursorganen en leidende functies op alle niveaus en in alle sectoren waren een zo goed als exclusief mannenbastion. Onderwijs voor de dochters in arbeidersgezinnen was in het beste geval aanwezig maar minimaal en bij de dochters uit de middenklasse, die in het beste geval al konden rekenen op een vierde graad, werd gefocust op huishoudelijke taken en in het beste geval side kick van een echtgenoot die wat hulp of extra inkomsten nodig had. Voor de burgerij was er een iets gevarieerder aanbod maar ook daar werden geen potentiële managers opgeleid.
In Brussel werd intussen pionierswerk verricht door Isabelle Gatti de Gamond (1839-1905) die in 1864 een eerste volwaardige secundaire school voor meisjes oprichtte. De Gatti-scholen maakten opgang in het Brusselse en met de wetten van 1875 en 1890 kreeg dit onderwijs zijn finaliteit, met name jonge vrouwen toegang geven tot universitair onderwijs.
Rosa De Guchtenaere
In Gent liep het proces niet zo snel. Lagere meisjesscholen en adultenonderwijs in de vorm van avond- en weekendonderwijs floreerden maar boden enkel zicht op een (professionele) basisopleiding zonder verder veel perspectief. Er was vanaf de jaren 1880 vierdegraadonderwijs in een enkele betalende stadsscholen voor meisjes en vanaf 1890 werden links en rechts opleidingen ingericht die na twee jaar een diploma middelbaar onderwijs konden opleveren, noodzakelijk om je te kunnen inschrijven aan een universiteit. Voorbeeld hiervan was het Institut de Kerchove in de Pollepelstraat, maar dit bleef een witte raaf in een verder behoorlijk vrouwonvriendelijk onderwijslandschap.

Net zoals in Brussel trad op een bepaald moment een vrouw naar voor die zelf het geluk had gekend om een hogere opleiding te volgen. Rosa (Roza) De Guchtenaere (1875-1942) was een oud-leerlinge van de Gatti-school uit een liberaal vrijzinnig gezin uit Ledeberg en studeerde aan de staatsnormaalschool van Brugge, waarna ze leerkracht werd in het Gents stedelijk onderwijs. Haar ambities gingen echter veel verder. In 1906 stichtte ze de Société des femmes gantoises, een vereniging die streefde naar vrouwenemancipatie via verlichting, met als eerste stap de organisatie van degelijk middelbaar onderwijs voor meisje. En ze laat geen tijd verloren gaan. In 1907 was ze de meest gedreven initiatiefnemer bij de stichting van de Société Coopérative Gantoise pour l’Instruction Supérieure des Jeunes Filles, die aan de Poeljemarkt en vervolgens de Nieuwenbosstraat het Lyceum, toen nog Athenée de jeunes filles, oprichtte.
De Guchtenaere, wiens vader en broer als bestuursleden actief waren in het Willemsfonds, verdedigde haar ideeëngoed rond emancipatie via onderwijs in onder meer het Volksbelang en via voordrachten voor de Willemsfondsafdelingen: De Vrouw (1903), Vader en moeder als opvoeders (1908), De opvoeding onzer meisjes (1910), Eenige uitingen van vrouwelijke werkzaamheid op sociaal gebied (1911) en De vrouw en het kiesrecht (1911). Nauw verbonden met die inzet voor vrouwenrechten was haar engagement in de strijd tegen het alcoholisme, een koppeling die in die tijd wel meer voorkwam. Samen met Pierre Hoffmann, de eerste directeur van het Lyceum, stichtte ze op 12 april 1912 de loge Licht en Liefde, de Gentse afdeling van de Internationale Orde der Goede Tempelieren, die zich toespitste op het promoten van geheelonthouding en het ondersteunen van initiatieven voor de bestrijding van alcoholmisbruik.
Zelf gaf ze ook les aan ‘haar’ Lyceum, waar ze turnen en Nederlands doceerde. Ze kwam tijdens de Eerste Wereldoorlog, onder invloed van haar compagnon de route Hippoliet Meert, in het activisme terecht. Ze verloor haar burgerrechten na de oorlog en radicaliseerde. Ze overleed onverwacht in 1942, notoire collaborateurs zoals Frans Daels, Hendrik Elias en August Borms begeleidden haar naar haar laatste rustplaats op de Westerbegraafplaats waar bewonderaars later een gedenkteken op haar graf zouden plaatsen.

Van Athenée de jeunes filles tot Lyceum
In het eerste bestuur van het Lyceum dook zowat de hele beau monde van de Gentse Liberale Associatie op. Hun engagement voor deze nieuwe – toen nog private – school gaf gewicht aan de instelling en moest borg staan voor kwaliteit en continuïteit. In het bestuur vinden we Camille De Bruyne, Maurice De Weert, Joseph Dauge, Paul Lippens, Paul Van Heuverswyn en Rodolphe De Saegher, naast Hippoliet Meert, Rosa’s vader Bernard De Guchtenaere en Pierre Hoffmann. Na enkele jaren groei doken ook de namen van Camille De Bast, Albert Callier, Victor Carpentier, Henri Boddaert, Marc Baertsoen en Leon Hallet op, naast gereputeerde academici zoals de professoren Henri Pirenne, Jean Bidez, Jean Delvin, Paul Bergmans en Victor Fris. Er kwam ook steun uit de familie de Kerchove. Rodolphe de Kerchove de Denterghem (1848-1886), zoon van Charles de Kerchove, was tijdens zijn korte leven een mecenas geweest voor het officieel onderwijs via steun aan de Société l’Avenir, de Maatschappij voor Nijverheid en Wetenschappen en het Van Crombrugghe’s Genootschap. Zijn weduwe Leonie Simonis stelde na de Eerste Wereldoorlog een van de grote burgerhuizen van de familie aan de Kortrijkse Steenweg ter beschikking van de school en het dankbare Lyceum bouwde de site uit tot de huidige campus, aan de oude gevel van de woning werd niet geraakt.
Het succes van de school vertaalde zich vrij vlug in de leerlingenaantallen: 65 leerlingen in 1912, 125 in 1916 en 171 in 1919. Het autonoom statuut van de school bleek desondanks om financiële en organisatorische redenen niet wenselijk. Op 1 januari 1922 werd het lyceum een stedelijke onderwijsinstelling en in 1946 nam de staat de school over. Over de doorstroming kunnen we kort zijn, het overzicht van hun aanwezigheid op de Gentse universiteit in vergelijking met andere vergelijkbare scholen spreekt voor zich:

Het educatief project van de school, progressief binnen zijn context en voor zijn tijd, bood de meisjes een vrijzinnige wetenschappelijke opleiding met respect voor de verschillende levensbeschouwingen. Naargelang de schoolbevolking toenam, nam ook het aanbod toe. Er werd een afdeling normaalschool aan de school verbonden, wat het lyceum aantrekkelijker moest maken voor vele ouders, en ook een pensionaat moest de inschrijving versoepelen. In de school zelf kon gekozen worden voor de sectie Latijn-Grieks, wetenschappen, handelswetenschappen of menswetenschappen. De afdeling Latijn-wetenschappen, in vele scholen de elitesectie, werd in het lyceum doelbewust niet georganiseerd: té gecompliceerd en té zwaar binnen de schoolcontext van het lyceum. De uitgebreidere argumentatie hierbij doet heel sterk denken aan de algemene paternalistische teneur die toen nog gangbaar was in de eerste athenea en colleges voor meisjes, doordrongen van het sekseverschil en de mannelijke superioriteit. Getuige hiervan is onder meer deze passage:

In die context, op die school, verscheen in 1921-1922, tijdens de overnamegesprekken door de stad (die liepen tot 27 maart in de gemeenteraad en tot 11 augustus in het provinciebestuur alvorens met terugwerkende kracht tot 1 januari te worden goedgekeurd), het tijdschrift La Nique – Journal des Elèves de l’Athenée de Jeunes Filles.
La Nique
La Nique, honderd jaar geleden enkel te vertalen in de richting van spotten, een voorzichtig opgestoken middenvinger, verscheen een eerste keer in december 1921. Een studentenblad gedrukt op krantenpapier en met een opvallende titeltekening: een blad met inktpot en schrijfveer, onder een banderol met links een eerder primitief mannengezicht, rechts een verwonderd kijkende jonge vrouw. Over periodiciteit weten we weinig. De drie bewaarde nummers dateren van 1 december 1921, 15 januari 1922 en 1 april 1922, losse nummers gaan voor 1 frank over de toonbank, een jaarabonnement kost 7,5 frank, maar zover kwam het hoogstwaarschijnlijk nooit. Het drukken gebeurde bij Auguste Vandeweghe, waar niet enkel de brochures van het Lyceum werden gedrukt, maar van generatie op generatie ook tal van andere liberale kiesbladen en periodieken voor zowel het brede publiek (onder meer L’Echo des Flandres en de Journal de Gand) als voor de Gentse universiteitsstudenten (naast almanakken onder meer Le Syndicat Estudiantin en La Zwanze) of leerlingenbonden (Gand Athenée) en andere volksopvoedende organisaties zoals het Van Crombrugghe’s Genootschap (Ons Blad). Met andere woorden, een waar huis van vertrouwen voor de Gentse liberale burgerij.
Het blad doet inhoudelijk helemaal denken aan vergelijkbare leerlingen- en studentenperiodieken uit die periode, van de almanakken van ’t Zal Wel Gaan of de jaarboeken van de Société Générale des Etudiants Libéraux tot bladen zoals l’Appel. De studentes van de redactie openen in het eerste nummer met een behoorlijk ernstig verhaal over solidariteit en samenhorigheid, over de traditionele ‘esprit de corps’ tussen leerlingen, docenten en directie. Er volgt een oproep om te participeren en ook dat klinkt nog behoorlijk educatief. Daarna wisselen informatieve en spottende artikels elkaar af. Karikaturen en onverhulde commentaar op alles wat op school leeft maken de tekst levendig. Ludieke recensies over de toneelvoorstellingen van de liberale studenten in de Minardschouwburg en fake boekaankondigingen ‘met een boodschap’, wat te denken van Almanzor et Florentinne, ou la Retenue Considérée Comme Le Sport Féminin par Excellence door een zekere Florence De Ridder en omschreven als een ‘mimodrame de tout premier ordre’ of ene Th. Vanneau-ve die het heeft over Le baroscope à frein torpédo et ses appliquations au nickelage des pieds humides … telkens een heel verhaal in één titel. Portretten zijn en blijven populair in dergelijke blaadjes, aan directeur Eugène Cougnet (‘Notre directeur est un jeune, et nous en sommes diantrement fière. Ce n’est pas un des ces vieux fossiles pédagogiques étiquetés etc.’) wordt een hele pagina gewijd, opgefrist met de nodige karikaturen. Een beetje zoals Arlecchino in de Commedia dell Arte, kan de redactie van zo’n tijdschrift zich een grote dosis ironie en spot veroorloven, een voorloper van wat vandaag onder het ‘roasten’ van beroemdheden en trouwers valt.
Kan er genoten worden van de lectuur van deze paar tijdschriftnummers ? Heel zeker. Hoewel veel innuendo onverstaanbaar is bij gebrek aan kennis over specifieke figuren en hun (on)hebbelijkheden, is het taalgebruik aanstekelijk en verfrissend, een mooie aanvulling op de ‘officiële’ communicatie van een school en haar geschiedschrijving.
La Nique is gedigitaliseerd en kan je op onze website doornemen. Heb je nog nummers van La Nique in je bezit? Bezit je andere studentenbladen? Liberas aanvaardt deze stukken met dank.
Bronnen
La Nique – Journal des Elèves de l’Athenée de Jeunes Filles, jg.1 nr.1 (1.12.1921) – jg.1 nr.3 (1.4.1922), gedrukt bij A. Vandeweghe, Kortrijksepoortstraat 41 (Gent)
Liberas, collectie jaarverslagen van het Willemsfonds
L. Buning, ‘Guchtenaere, Roza de’, in: Nationaal Biografisch Woordenboek. Deel 6 (Brussel: KVAB, , 1974), kol.403-410.
L. De Backer-De Vleeschauwer, 75 jaar Lyceum Gent. Het verhaal van een school (Gent: Rijksscholen Lyceum Gent, 1983).
E. De Potter (red.), Een eeuw vol jeugd. 100 jaar Koninklijk Lyceum Gent (Brussel: Uitgeverij Politeia, 2008).
A.M. Simon-Vandermeersch, De eerste generaties meisjesstudenten aan de RUG 1882-1930 (Gent: Archief RUG (Uit het Verleden van de RUG nr.13), 1982), pp.21-26.
H. Smets en L. Vandeweyer, ‘De Guchtenaere Rosa’, in: Digitale Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, geraadpleegd op 15.5.2025.
M. Van Ginderachter, ‘De ongekroonde koningin van Vlaanderen. Rosa De Guchtenaere herdacht (1875-1942)’, in: Wetenschappelijke Tijdingen, jg.40 nr.2, 2001, pp.96-113.
Ville de Gand. Athenée de jeunes filles et Section Normale Moyenne y annexée. Organisation-Programme (Gent: A. Vandeweghe, 1919).