Het proces-De Buck (1864-1868) in de collectie van Liberas
Liberas bewaart een bijzonder kleinood uit 1868, geliefd bij numismatici. Op de voorzijde van de 32 mm brede bronzen penning zien we een gevangene – met het (ongeluks)nummer 13 op zijn plunje genaaid – die net van zijn ketens is bevrijd. Hij houdt een zak open om muntstukken op te vangen die een jezuïet, met haviksneus en zwart habijt, letterlijk uitbraakt na een indigestie. De penning, een munt zonder vaste waarde die werd vervaardigd als herinneringsobject, verwijst naar de afloop van een berucht erfenisproces: de ‘affaire De Buck’ (1864-1868).

Een assisenproces en een burgerlijke rechtszaak, met de op de penning afgebeelde Bénoît De Buck als respectievelijk beklaagde en eiser, kregen in het midden van de jaren 1860 enorm veel maatschappelijke weerklank door de politiek beladen cultuurstrijd tussen klerikalen en antiklerikalen. Deze strijd werd gevoed door angst voor de opstapeling van eigendom in de “dode hand” van orden en congregaties door legaten via tussenpersonen. De jezuïeten waren in het bijzonder het voorwerp van hardnekkige negatieve beeldvorming waarbij ze werden voorgesteld als ‘erfenisdieven’. Wanneer geruchten de ronde deden over inmenging van de Sociëteit van Jezus werden spanningen rond erfeniskwesties bij gegoede families nog verder aangewakkerd. De processen rond Bénoît De Buck groeiden hierdoor uit tot een van de meest spraakmakende juridische affaires van de 19de eeuw in België.
Een ‘cause célèbre’
Centraal in de zaak De Buck stond Bénoît De Buck (°1817), een aan lagerwal geraakte neef van de rijke Antwerpse weldoener Guillaume De Boey (1769–1850). De Boey was een ‘selfmade man’ die vanuit de kleine burgerij steenrijk was geworden als vermogensbeheerder en beursspeculant. Hij overleed kinderloos op 82-jarige leeftijd. Zijn testament uit 1849 wees Louis Valentyns (1799–1866), een advocaat in Brussel, aan als “enige en algemene legataris en erfgenaam”. Valentyns kreeg de taak de nalatenschap, met een waarde van ongeveer 588.000 frank aan onroerend goed en aandelen, te beheren en testamentair bepaalde bedragen en renten uit te keren aan de wettige erfgenamen, zoals Guillaumes zussen, neven en nichten.
Valentyns kon bezwaarlijk een intieme huisvriend van de overledene genoemd worden, en binnen de familie – met Bénoît De Buck op kop – leefde het vermoeden dat het vermogen van Guillaume De Boey in werkelijkheid miljoenen bedroeg. Het was duidelijk dat Valentyns, eens alle transacties afgerond, als erfgenaam een aanzienlijk bedrag zou overhouden. Al snel groeide de verdenking dat Valentyns slechts een stroman was voor de jezuïetenorde. Zijn rol zou erin bestaan hebben om de familie met kleine uitkeringen koest te houden en de rest van de erfenis in de handen van jezuïeten te laten terechtkomen. Er deden geruchten de ronde dat het merendeel van De Boeys rijkdom al vóór zijn dood op slinkse wijze naar de orde was doorgesluisd. Om betwistingen te voorkomen en Valentyns te beschermen, bevatte het testament een clausule die elke erfgenaam die het testament zou aanvechten, zou onterven.
Tegen 1850 had Bénoît De Buck reeds een zeer woelig leven geleid, gekenmerkt door veroordelingen voor diefstal en geweldpleging. De helft van zijn leven had de prille dertiger in gevangenissen en instellingen doorgebracht. Ondanks pogingen van Guillaume (van wiens zus Elisabeth Bénoît de zoon was) om hem op het rechte pad te houden – onder meer door hem op te laten nemen in een psychiatrische instelling en de pater jezuïet Jean-Baptiste L’Hoir (1793–1871) te vragen hem te begeleiden – bleef zijn gedrag problematisch. Op het moment van zijn ooms overlijden in 1850 verrichtte De Buck als gevangene dwangarbeid in de ‘bagne van Toulon’. Hij zat er een straf van maar liefst 9 jaar uit voor een roofoverval op straat. Bénoît was het zwarte schaap van de familie en was de enige neef die volledig buiten het testament viel, terwijl zijn broers en zussen wel werden opgenomen. In 1852 trok de vrijgekomen De Buck gewapend naar L’Hoir om zijn vermeende erfenis op te eisen, wat hem opnieuw achter de tralies bracht.

In 1862 schreef de door een jezuïetencomplot geobsedeerde De Buck vanuit de gevangenis van Vilvoorde een dreigbrief aan onder anderen pater Frédéric Bossaert (1803–1867), de provinciaal van de Belgische jezuïeten, een duidelijk teken dat de erfeniskwestie hem nog steeds bezighield. De brief aan Bossaert leidde tot een aanklacht wegens schriftelijke doodsbedreigingen voor het hof van assisen van Brabant in mei 1864.
Een verrassende wending
Ondanks het bewijs dat De Buck de auteur was van de brief, sprak de jury hem vrij. Op de keerzijde van de penning wordt deze opmerkelijke wending van het assisenproces krachtig samengevat: ‘DEBUCK flétri par les Jésuites, réhabilité par l’opinion publique, les tribunaux belges et par ses énergiques défenseurs Paul Janson & Robert.’ Deze verrassende vrijspraak had De Buck inderdaad te danken aan zijn jonge advocaten, Paul Janson (1840-1913) en Eugène Robert (1839-1911).

Ze speelden in op de wijdverspreide anti-jezuïtische sentimenten en portretteerden De Buck als het slachtoffer van een sluwe, samenzweerderige jezuïetenorde, die zijn oom een fortuin had ontfutseld en hem, heimelijk en doelgericht, het leven zuur maakte. Hierdoor kwamen de jezuïeten figuurlijk op de beklaagdenbank terecht, in plaats van De Buck. Na de vrijspraak weerklonk luid gejuich in de rechtszaal en op de trappen van het justitiepaleis, met kreten als “A bas les jésuites!”.
Het proces-De Buck kreeg veel weerklank door het bredere anti-jezuïtische sentiment in de samenleving. Zo fulmineerde Minister van Financiën Walthère Frère-Orban (1812-1896) in de nasleep van het assisenproces in de Kamer tegen de jezuïeten en hun vermeende greep op de katholieke partij. De jezuïetenorde zou als doel hebben de liberale fundamenten van de Belgische staat te ondermijnen. Dit sentiment was enkele jaren eerder al aangewakkerd door de commotie rond de zogenaamde “kloosterwet” in 1857. Dit wetsontwerp beoogde geldstromen richting religieuze liefdadigheidsinstellingen te controleren en werd door liberalen gezien als een vrijgeleide voor de officialisering van religieus patrimonium in de “dode hand” van orden en congregaties. De onrust leidde tot straatrellen, waarbij ruiten van kloosters en jezuïetencolleges sneuvelden, het begraven van de wet en uiteindelijk de val van de regering-De Decker. In 1864 was er geen sprake van soortgelijke rellen, maar liberaal Kamerlid Jules Bara (1835-1900) wees in het parlement wel op de publieke steun voor De Bucks vrijspraak. Het volk verbaasde zich volgens Bara over de rijkdom die religieuze congregaties verwierven zonder daarvoor te werken.
Op de penning uit 1868 staat ‘tribunaux belges’ gegraveerd en ontvangt De Buck een hele som geld. Het bleef dus niet bij het assisenproces in Brussel in 1864. Na De Bucks vrijspraak roken zijn advocaten bloed en spanden zij een nieuw burgerlijk proces aan tegen Valentyns, ditmaal voor de rechtbank te Antwerpen. Valentyns – zo stelden ze – had onwettig opgetreden als tussenpersoon ten voordele van de burgerrechtelijk onbekwame jezuïetenorde. Hun doel was het testament nietig te laten verklaren, zodat De Buck aanspraak kon maken op zijn “gestolen erfenis”. Dit tweede proces sleepte meer dan drie jaar aan. Louis Valentyns overleed in de tussentijd, en zijn broer, Georges-Henri Valentyns, naar wie de erfenis overging, zette het proces voort. Georges-Henri raakte tijdens de vele getuigenverhoren sterk onder de indruk van verklaringen die de jezuïetenorde in een kwalijk daglicht stelden. In januari 1868 nam hij een opmerkelijk besluit: hij wilde geen beheerder/eigenaar meer zijn van de erfenis De Boey. Uiteindelijk werd de volledige resterende erfenis, geschat op maar liefst 800.000 frank, een enorme som geld toen, verdeeld onder de wettige erfgenamen, inclusief Benoît De Buck. Dit betekende dat er nooit een definitief vonnis kwam in het burgerlijk proces. De pater jezuïet Willem van Alsenoy (1812–1889), een andere neef van De Boey, stemde ermee in zijn aanzienlijk erfdeel af te staan aan de andere familieleden om verdere onmin en discussies te vermijden.
Geheime transacties en publieke commotie
Later historisch onderzoek, met name in de jaren 2020, wierp nieuw licht op de kern van de zaak. Het werd aangetoond dat Valentyns en invloedrijke jezuïeten kort na De Boeys overlijden wel degelijk geheime transacties hadden geregeld, buiten de testamentaire bepalingen om. Deze transacties en regelingen, ter waarde van ongeveer 138.000 frank, kwamen ten goede aan de jezuïetenmissie in Missouri en de oprichting van een jezuïetencollege in Milwaukee. 138.000 frank in 1850 komt vandaag overeen met ongeveer 1.500.000 euro. De financiële regelingen werden afgehandeld door Valentyns, in samenwerking met Charles de Franckeville (1800–1877, toenmalig provinciaal van de Belgische jezuïeten) en Jan Roothaan (1785–1853, toenmalig generaal-overste van de orde). Deze geldstromen waren duidelijk bedoeld om de wettelijke beperking te omzeilen die het de jezuïetenorde onmogelijk maakte om rechtstreeks te erven, aangezien de orde geen rechtspersoonlijkheid bezat.
Ten tijde van het proces in de jaren 1860 beschikten Robert en Janson nog niet over de belastende brieven die deze op mondelinge overeenkomsten gebaseerde regelingen op indirecte wijze documenteren. Toch zorgde het proces-De Buck, mede door reconstructies op basis van toenmalige beschikbare (soms erg gekleurde) getuigenissen en documenten, voor veel commotie – zowel binnen het parlement als daarbuiten. Zo probeerde de partij-De Buck tijdens het burgerlijk proces in Antwerpen te bewijzen dat enkele dagen voor de dood van De Boey, onder leiding van een jezuïetenpater, een koffer vol geld en waardepapieren uit diens woning werd weggehaald.
De zaak werd uitgebreid behandeld in pamfletten en kranten, zoals blijkt uit een zoektocht in de collecties van Liberas, waaronder een bijna 400 pagina’s tellend bronnenboek van het proces, samengesteld door de liberale journalist Gustave Lemaire (1833-1906). Antiklerikale pamfletten zoals ‘Kiezers, past op! De Buck en de Jesuieten!’ presenteerden de vrijspraak – in navolging van Bara – als “de ware uitdrukking van de publieke opinie”. Vanuit het klerikale kamp reageerde men met vlugschriften zoals ‘Proces De Buck. De Jesuiten en hunne lasteraers’, waarin het corrupte karakter van De Buck centraal stond en de liberale opiniemakers werden beschuldigd van het “in de modder versmachten van onzen Heiligen godsdienst, door kloosterlingen hatelijk te maken”.
Toch is de 11,5 gram wegende penning het collectiestuk van Liberas dat op de meest directe en sprekende wijze de anti-jezuïtische beroering die het proces teweeggebracht tot leven wekt. Op de voorkant staat de inscriptie ‘Rendez à César ce qui appartient à César’ — een Bijbels citaat dat populair was onder antiklerikalen om de nood aan strikte scheiding tussen kerk en staat te benadrukken. De afgebeelde jezuïet op de penning lijdt volgens het opschrift aan een ‘Indigestion d’Escobard’. Hiermee verwezen de makers van de penning naar de 17de-eeuwse Spaanse jezuïet Antonio Escobar y Mendoza (1589-1669), een moraalfilosoof die door Blaise Pascal scherp bekritiseerd werd. Tegen de 19de eeuw was de naam ‘Escobar’ een ingeburgerde term geworden voor hypocriete mensen die morele regels onderdanig maakten aan hun eigenbelang.

Op het kruispunt van politieke strijd en literaire verbeelding
Het proces had een impact op de (politieke) carrières van de betrokken advocaten. De vrijspraak van De Buck en de afloop van het burgerlijk proces gaven een flinke boost aan de reputatie van Paul Janson en Eugène Robert, zoals aangetoond door de penning. Vooral Janson groeide later uit tot een prominent liberaal politicus van progressistische signatuur. Aan de zijde van Valentyns stonden Victor Jacobs (1838-1891) en Karel Blondel (1806-1877), die toen politiek actief waren voor de Meetingpartij. Auguste Beernaert (1829-1912), advocaat bij het Hof van Cassatie, trad eveneens op als raadsman van Valentyns. Jacobs werd in 1870 minister voor de katholieke partij, en Beernaert volgde in 1873 en was van 1884 tot 1894 eerste minister. Het belang van het proces blijkt uit het feit dat Beernaerts aandeel in de zaak-De Buck bijna 45 jaar later nog werd vermeld in zijn necrologieën.

Ook na afloop verdween het proces inderdaad niet volledig uit de schijnwerpers. De liberale provinciegouverneur van Antwerpen, Edouard Pycke (1807-1892), verwees tijdens een zitting van de provincieraad in juli 1868 uitdagend naar de zaak-De Buck, claimend dat de ‘jezuïeten’, in plaats van Georges-Henri Valentyns, 800.000 frank moesten teruggeven van de 8 miljoen frank die ze de familie zouden hebben afgetroggeld. Guillaume Crabeels (°1810), een andere neef van De Boey en voormalig jezuïet, greep Pyckes uitlatingen aan om zijn onvrede te uiten over de ‘erfenisdiefstal’ die volgens hem had plaatsgevonden. In open brieven aan het adres van Pycke, die hij zeer waardeerde om zijn parler vrai, richtte Crabeels zijn pijlen op de orde waarvan hij ooit zelf deel had uitgemaakt. Deze brieven werden in augustus 1868 gepubliceerd in liberale kranten. Crabeels werd als twintiger door zijn oom gesponsord om richting Florissant (Missouri) te reizen als jezuïet-novice. Hoewel hij later de orde verliet na negatieve ervaringen in de VS, liet zijn oom hem via zijn testament alsnog een jaarlijkse lijfrente van 500 frank na. Toch bleef Crabeels achtervolgd worden door financiële problemen. Uiteindelijk koos hij de zijde van De Buck en legde hij tijdens het assisenproces verklaringen af in het voordeel van de partij De Buck.

De publieke verbeelding rond door jezuïeten gesmede complotten bereikte een hoogtepunt door de associatie met Eugène Sue’s populaire anti-jezuïtische roman ‘Le Juif errant’ (1844–1845). Personages uit de roman leken in de rechtszaal tot leven te komen. Antiklerikale opiniemakers beweerden zelfs dat de Belgische jezuïeten aan het sterfbed van De Boey geïnspireerd leken door Sue’s roman, en de methoden om erfenissen in handen te krijgen zelfs verder verfijnden. De Buck groeide uit tot een real-life ‘from zero to hero’-personage: de kleine man die het opneemt tegen een machtige religieuze orde die uit was op werelddominantie – althans, zo luidde de onder antiklerikalen populaire ‘jezuïetenmythe’. Echter, de werkelijkheid was minder zwart-wit als voor- en tegenstanders van De Buck in de rechtszaal wilden doen geloven. Zowel De Boey als De Buck waren bijvoorbeeld geenszins weerloze slachtoffers van moreel gecorrumpeerde geestelijken. Beiden maakten bewust hun eigen keuzes: de een om een groot deel van zijn erfenis te laten renderen voor de religieuze doeleinden van de jezuïeten aan de overkant van de oceaan, de ander om die, desnoods op illegale wijze, in eigen handen te krijgen.
Epiloog
Na de felle opstoot tijdens de affaire-De Buck leek het anti-jezuïtische sentiment in België vrij snel aan mobiliserende kracht te verliezen. Toen pater jezuïet Honoré Smaelen (1809-1885) in 1872 terechtstond voor het binnendringen van de woning van de ULB-professor Jean-Jacques Altmeyer (1804–1877), die stervende leek, bleven uitgesproken anti-jezuïtische commentaren in de liberale pers opvallend uit. Van De Buck zelf was na het proces trouwens weinig meer te vernemen. Kort na het verkrijgen van zijn erfenis kwam De Buck opnieuw in aanvaring met justitie. In 1870 werd hij veroordeeld wegens laster – voor feiten die als zó aanstootgevend golden dat de kranten ze deze maal onvermeld lieten. Ook dit keer deed hij een beroep op zijn oude raadsman Eugène Robert, maar tevergeefs: een vrijspraak zat er niet in. Alles wijst erop dat De Buck, zelfs mét zijn deel van het De Boey-legaat op zak, zijn crimineel parcours gewoon voortzette.
| De zomermaanden zijn traditioneel een populair moment om te grijpen naar spannende verhalen, zoals detectives en true crime. Liberas sluit hierop aan met verhalen rond opmerkelijke historische misdaad- en rechtszaken uit de 19de en 20ste eeuw. Iedere week in juli en augustus verschijnt er een nieuwe tekst op de site. |
Bronnen
Penning
Liberas, collectie medailles, Medaille nav. de vrijspraak van Benoît De Buck in het “dode hand”-proces, 1868 (MEDAILLE0463)
Gepubliceerde bronnen
Journal de Gand, 1 augustus 1864; 12 augustus 1868; 18 augustus 1868.
Het Handelsblad, 2 december 1870.
Kiezers, past op! De Buck en de Jesuieten (Brussel: P.-A. Parys, 1864).
L’affaire De Buck: interposition de personne au profit de l’Ordre des jésuites, compte rendu exact et complet extrait des documents officiels (Brussel: A. Mertens et fils, 1868).
Les jésuites et l’affaire Debuck (Brussel: A. Lacroix-Verbroeckhoven & Cie, 1864).
Procès De Buck contre Valentyns. Plaidorie de Me Victor Jacobs (Antwerpen : J. De Groodt, 1868)
Proces De Buck. De Jesuiten en hunne lasteraers (Gent: J. en H. Vanderschelden, 1864).
Parlementaire Handelingen. Kamer van Volksvertegenwoordigers, Sessies 1 juni 1864 en 3 juni 1864.
Literatuur
G. Carraghan, The Jesuits of the Middle United States. 3 volumes (New York: America Press, 1938).
G. Cubitt, The Jesuit Myth. Conspiracy Theory and Politics in Nineteenth-Century France (Oxford: Clarendon Press, 1993).
X. Dusausoit, ‘Les collèges des jésuites en Belgique (1831-1914). Entre guerres ouvertes et tensions latentes’, in jean-François Condette (ed.), Éducation, Religion, Laïcité (xvie-xxe s.). Continuités, tensions et ruptures dans la formation des élèves et des enseignants (Villeneuve d’Ascq: Publications de l’Institut de recherches historiques du Septentrion, 2010), 327-353.
H. Richard Friman, “Jesuit Mission Funding and Legacy Donations: Revisiting the Belgian Controversy over the Disposition of the De Boey Estate, 1850–1868”, Journal of Religious History 48, 1 (2024): 3-15.
R. Girardet, Mythes et mythologies politiques (Parijs : Editions du Seuil, 1986)
J. Koppen, De Kloosterkwestie. Liberale visies op religieuze instituten, onderwijs en zorg in België, 1830-1921 (VUB: Onuitgegeven proefschrift, 2017)
K. Suenens, “Het Proces-De Buck (1864–1868). Een erfenis-proces als inzet van het klerikaal-liberale konflict in Belgie,” Trajecta 14, 1 (2005): 3–24
J. Tyssens, “Le jésuite et le franc-maçon : mort laïque et prosélytisme clérical à Bruxelles dans les années 1870”, Cahiers Bruxellois – Brusselse Cahiers, 53, 1 (2022): 49-77.